dinsdag 5 november 2013

Fraaie derde plaats Tresoar bij Stuk van het Jaar verkiezing

Tresoar heeft tijdens de landelijke verkiezing van het archiefstuk van het jaar, een fraaie derde plaats behaald. Winnaar werden de collega’s van Stadsarchief Rotterdam met hun toegangskaartje voor de Europacupfinale Feyenoord-Celtic in 1970 te Milaan. Stadsarchief Vlaardingen pakte de tweede plaats met een 19e eeuwse tekening van een Siamese tweeling. Afgelopen vrijdag werden in het Stadsarchief Amsterdam de bijbehorende prijzen uitgereikt door de bekende televisiepresentator Hans Goedkoop. Naast een fraaie metalen plaquette van het door Tresoar genomineerde stuk “De Bloedvlek”, leverde de actie veel positieve pr voor het archiefwezen op. Of zoals Hans Goedkoop het verwoordde: “Bij mensen thuis vind je meer stof dan in de archieven”.

Bekijk hier de einduitslag.

dinsdag 1 oktober 2013

Doe mee en stem voor het Stuk van het Jaar

In het kader van de Maand van de Geschiedenis, wordt er een landelijke verkiezing gehouden om het mooiste, meest bijzondere of unieke archiefstuk van ons land te kiezen. Het Friese publiek heeft gestemd en “De Bloedvlek” verkozen om Tresoar te vertegenwoordigen in deze verkiezing. Natuurlijk willen we graag deze competitie winnen. Doe dus mee en breng je stem uit via http://www.onsdna.nl/tresoar/. Dit kan t/m 27 oktober. Op 1 november wordt de winnaar bekend gemaakt.

We rekenen op de steun van het Friese publiek!!

Wie het topstuk in levende lijve wil bekijken kan terecht in het Fries Museum. Daar is 'De Bloedvlek' tijdelijk in bruikleen tentoongesteld.

Transcriptie van de tekst

Wijst mij eens waer het gaet

ist en waer de speut moet

eindigen

Wat raet, hulp oft troost siet

ghij in dit werck

De omgedraaide tekst:

Dat Veuglin bij mijn wijff en kinder blijft



Briefje met bloedvlek van de Friese stadhouder Willem Frederik, 1664


In 1664 raakte de Friese stadhouder Willem Frederik graaf van Nassau door een ongeluk met zijn eigen pistool zo ernstig gewond, dat hij niet meer kon spreken. Hij kon alleen nog communiceren via briefjes. Enkele daarvan zijn bewaard gebleven. Op ééntje daarvan is geronnen bloed afkomstig uit de wond van Willem Frederik te zien. Aangezien Willem Frederik een rechtstreekse voorouder is van onze koning Willem Alexander, zou je mogen stellen dat dit stukje papier het DNA van ons koningshuis bevat.

Willem Frederik werd in 1613 in Arnhem geboren als zoon van de Friese stadhouder Ernst Casimir en zijn vrouw Sophie Hedwig van Brunswijk-Wolffenbüttel. Hij volgde zoals veel van zijn familieleden een militaire carrière. In 1640 was hij als officier betrokken bij de gevechten om Hulst, waar zijn broer Hendrik Casimir I sneuvelde. De laatste was toen stadhouder van Friesland en niet gehuwd. Na zijn dood probeerde de Hollandse stadhouder Frederik Hendrik ook het ambt van stadhouder van Friesland te bemachtigen, zodat hij de meeste Nederlandse gewesten onder zijn hoede kon krijgen. De Staten van Friesland beslisten echter anders, door het versneld benoemen van Willem Frederik tot hun stadhouder.

Na zijn benoeming heeft Willem Frederik zich als een spin in het politieke web van Friesland ontwikkeld. Hij was daartoe in staat omdat hij alle relevante informatie van belangrijke gesprekken, voorvallen en achtergronden van en over politieke functionarissen in dagboeken noteerde. Hierop kon hij steeds terugvallen. De dagboeken zijn een aantal jaren geleden gepubliceerd onder de titel Gloria Parendi. Door zijn slimme tactiek wist hij een stevige politieke positie te verkrijgen.

Daarnaast wist hij trouwe hoffunctionarissen aan zich te binden. Eén van hen was Philip Ernst Vegilin van Claerbergen (1613-1693), die in 1657 als secretaris bij hem in dienst kwam. Hij had evenals zijn superieur een goed politiek instinct, was correct en secuur en beheerste meerdere talen. Vanaf 1657 was hij tevens hofmeester. Uit zijn activiteiten en contacten met de stadhouder blijkt dat hij voor hem onmisbaar was.

Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes, prinses van Oranje (1634-1696). Zij was een dochter van Frederik Hendrik. Willems moeder had hem eerder al geadviseerd een Oranjeprinses te trouwen. Dit was niet alleen goed voor het verhogen van de status van de Friese stadhouder, maar was ook in financieel opzicht belangrijk. Het instand houden van een hofhouding vergde veel van het vermogen van de stadhouder. Zijn inkomen was ook veel geringer dan dat van de rijke Hollandse stadhouders. Het echtpaar kreeg drie kinderen, van wie alleen Amalia en Hendrik Casimir II de volwassen leeftijd bereikten. Het gezin bewoonde het stadhouderlijk hof in Leeuwarden, dat door hen fraai werd ingericht en verbouwd.

Hier vond op 24 oktober 1664 het dramatische ongeluk van Willem Frederik plaats. Bij het schoonmaken van zijn pistolen, ging één niet af. Toen hij vervolgens in de loop keek, volgde een fataal schot. De kogel was blijven hangen en ging alsnog af. Deze trof hem in zijn kaak, waardoor het hem onmogelijk werd om te spreken. Zijn kaak was verbrijzeld en al zijn tanden zaten los. Hij kon alleen nog via briefjes communiceren, waarvan enkele bewaard zijn gebleven. Over het ongeluk met het pistool schreef hij: “Sij woud geen vuijr geven, doe sach ick ernae en in die tijt ginck se los.” In een brief aan zijn neef Willem III liet hij zich nog optimistisch uit over zijn gezondheid maar al snel kreeg hij hoge koortsen. Het was hem bijna onmogelijk om te eten, waardoor hij zeer verzwakte. Deze toestand duurde een aantal dagen. In die tijd wist hij nog een aantal persoonlijke zaken te regelen en ook zijn testament liet hij voorlezen. Op één van zijn laatste briefjes viel een druppel bloed. Dit papiertje is bewaard gebleven. Hij schreef hierop onder andere: “Dat Veugling bij mijn wijf en kinder blijft”. Veuglin was Vegilin van Claerbergen, in wie hij veel vertrouwen had. Op een ander briefje vroeg hij om op zijn zoon Hendrik te letten. Deze was nog maar zeven jaar oud en zou hem later als stadhouder opvolgen. Al deze mededelingen wezen erop dat hij voor het einde vreesde. Acht dagen na het ongeluk overleed Willem Frederik. Hij werd in de familiegrafkelder in de Grote Kerk te Leeuwarden bijgezet. Van het ongeluk is in 1698 door de bekende kunstenaar Jan Luyken een tekening gemaakt.

Dit alles maakt de bloedvlek tot een uniek document, dat een laatste levensspoor bevat van een directe voorouder van onze huidige koning, Willem Alexander. Bovendien past de Tresoar nominatie ook uitstekend bij het thema van de Maand van de Geschiedenis Vorst & Volk. 

dinsdag 2 juli 2013

Welk archiefstuk vindt u het mooist?


Tresoar start vanaf 9 juli de voorverkiezing voor het mooiste of meest bijzondere archiefstuk uit zijn collectie. Dit gebeurt in de aanloop naar de landelijke online verkiezing ‘Stuk van het Jaar’, die in oktober tijdens de Maand van de Geschiedenis zal plaatsvinden. Veel archieven doen hieraan mee.
Iedereen kan tijdens deze (voor)verkiezing stemmen.

Eind augustus gaat het winnende archiefstuk, het stuk met de meeste stemmen, door naar de landelijke verkiezing. Het prijkt dan naast vele andere historische juweeltjes tijdens de Maand van de Geschiedenis in oktober op www.onsdna.nl, de site van de gezamenlijke archiefinstellingen in Nederland. Bij de afsluiting van de Maand van de Geschiedenis wordt de winnaar, het ‘Stuk van het Jaar’, op ludieke wijze bekendgemaakt.

Wij willen graag van u weten welk archiefstuk uit onze collectie u het mooist of meest bijzonder vindt. Het Tresoarstuk dat de meeste stemmen krijgt, sturen wij dan vervolgens als inzending namens Friesland in om te laten meedingen naar de landelijke titel 'Stuk van het Jaar'. Wij hebben alvast een selectie gemaakt, waar u een stem op uit kunt brengen. De voorverkiezing sluit op 15 augustus 2013.

U kunt uw stem uitbrengen door de titel van uw favoriete stuk aan ons door te geven. Dat kan op vier manieren.
- via e-mail: info@tresoar.nl
- door een reactie (stem) op onze weblog achter te laten
- door een bericht of een reactie achter te laten op Facebook of op Twitter

Stem en kies nu uit de onderstaande stukken!






Ouderleed

In het familiearchief Van Heloma wordt onder inventarisnummer 357 een bijzonder aangrijpend document bewaard. Het zijn de persoonlijke aantekeningen van Barones E.W.M. d'Aulnis de Bourouill-Twiss die zij heeft opgeschreven na het overlijden van haar kindje dat slechts negen maanden heeft geleefd. Het boekje meet 21 bij 15 cm, heeft 186 beschreven pagina’s en is verpakt in een stoffen omslag van zwart velours. In het boekje zitten een tiental losse bladen en knipsels, die verband houden met de droevige gebeurtenis. Het echtpaar de Bourouill is kinderloos overleden en dit boekje is via aangetrouwde familie terechtgekomen in het familie-archief Van Heloma.
Het boekje heeft als titel meegekregen ‘Herinneringen aan ons kindje Carine, 20 augustus 1891 – 8 mei 1892’. Het grootste deel, 174 pagina’s, is geschreven door de moeder Elisabeth (Elsje) Willemina Malvina Barones d'Aulnis de Bourouill-Twiss en wordt afgesloten met 12 pagina’s van haar echtgenoot Johan baron d’Aulnis de Bourouill. Het is onduidelijk in welk jaar de aantekeningen zijn vastgelegd maar gelet op de gedetailleerde inhoud zal dit niet lang na het overlijden van hun dochter zijn gebeurd.
In het boekje wordt op een zeer gedetailleerde wijze alles vastgelegd wat de moeder van het jong overleden kindje zich nog kan herinneringen van wat er in die negen maanden is gebeurd. Alles wordt op zo’n indringende en intieme wijze vastgelegd dat je als lezer deelgenoot wordt van het familiegebeuren. Je wordt meegesleept van de blijdschap rond de geboorte tot aan de droefenis bij het overlijden. Van de eerste tekenen van de zwangerschap, de periode rond de geboorte, de kraamvisites – met een lijst van alle personen en hun meegebrachte kadootjes – de doopplechtigheid, de St. Nicolaasviering etc. etc. Vanaf 22 december 1891 volgt de berichtgeving over de afnemende gezondheid, de visitaties van de verschillende dokters, de ziekteverschijnselen etc., waarna ze eindigt met een aangrijpende beschrijving van de laatste levensdagen van haar dochter.
Bijzonder in dit boekje zijn een pagina met een getekende beschrijving van de kinderkamer en een haarlok van het kindje in een klein papieren omslag. Het geheel ademt een sfeer van leedverwerking door een moeder die haar kindje in alles bij zich wil houden.
Het persoonlijk verhaal van de vader is minder gedetailleerd maar ook hij laat zijn emoties de vrije loop en eindigt het boekje met: ‘Op woensdag, den 11den Mei, heb ik ons kindje naar het kerkhof gebracht. Helder scheen de zon, en de vogels zongen. Doch ons vogeltje was niet meer. En de kinderkamer was ledig.’



Noctes atticae – Een handschrift uit het jaar 836

Teksten uit de klassieke oudheid, en ook de Bijbel, zijn overgeleverd via handschriften, waarvan de oudst bewaard gebleven vaak eeuwen later zijn afgeschreven. Tussen de auteur en de oudste tekstgetuige ligt dan een lange periode vol onzekerheid over de kwaliteit van de tekstoverlevering. Tresoar bezit een handschrift uit het jaar 836 van de Romeinse schrijver Aulus Gellius uit de tweede eeuw. Zijn Noctes atticae (“Attische nachten”) is een verzameling van allerlei teksten, ook van auteurs waarvan de ‘originelen’ verloren zijn gegaan.
Het handschrift is om meerdere redenen bijzonder, niet alleen vanwege de ouderdom. De datering kan worden ontleend aan een briefwisseling vanuit het klooster Fulda, waaruit blijkt dat dit afschrift daar is vervaardigd. Maar dit gebeurde met zoveel vertraging, aldus de briefwisseling, dat het alsnog haastwerk werd. Het resultaat toont inderdaad de kenmerken daarvan. Ongeveer op twee-derde van het handschrift, en nog wel midden in een zin, vindt er een opvallende wisseling in schrifttype plaats, wat duidt op een geheel andere afschrijver. En gaande het proces is er ook gekozen voor perkament van mindere kwaliteit, kleiner dan het beoogde boekformaat en met gaten en beschadigingen waaromheen de kopiist improviseerde. De navolgende wegen van dit handschrift zijn niet meer na te gaan. In 1592 werd het door een drukker te Lyon gebruikt als basis voor zijn, later gezaghebbende, uitgave van de Noctes atticae. In 1671 werd het op een veiling aangekocht voor de bibliotheek van de Franeker academie. Als diens erfgenaam is Tresoar in het bezit gekomen van een van de alleroudste dateerbare handschriften in Nederland, niet een snipper of fragment, maar een volledig boek!



De een zijn dood is de ander zijn brood

Na een storm is een schip vergaan en ligt op de noordkust van Schiermonnikoog (let op dat de kaart 'op de kop' is getekend; het vasteland met Paesens ligt boven!). Er liggen meerdere lichamen van bemanningsleden op het strand. De andere liggen er echter hulpeloos bij. De aanwezige eilandbewoners hebben alleen maar oog voor de aangespoelde goederen. Met haken proberen ze de buit uit zee te halen. Er zijn ook al mensen met paard en wagen onderweg.

Meer wrakken
Dat het vergaan van dit schip geen incident was laten de andere wrakken zien. Linksboven ligt het wrak van de Prosperous, dat in 1726 is gestrand. Middenonder op de kaart is ook een schip vastgelopen; de masten zijn gebroken.

Veranderingen op het eiland
De kaart laat ook nog andere zaken zien zoals drie kapen. De kaart is gemaakt in de tijd dat het oude dorp met de kerk en twee molens door haar bewoners werd verlaten. Die waren al bezig met de bouw van een nieuw dorp, verder naar het oosten op het eiland.




Bloedvlek

24 oktober 1664
Een stuk papier met aantekeningen, waarop een bloedvlek uit zijn wond, is wat ons herinnert aan de laatste dagen van Willem Frederik, stadhouder van Friesland. Bij het schoonmaken van zijn pistool, ging het wapen onverwachts af. De kogel trof hem in de hals en doorboorde zijn tong en verhemelte. Eten en spreken ging niet meer. Zijn woorden kon hij alleen nog kwijt op papier. Vegelin van Claerbergen, hofmeester van de stadhouder, heeft het papier bewaard in zijn familie archief. Ook het lijkschouwingsrapport van de arts is bewaard gebleven.

Op het bebloede papier staat geschreven: 'dat Veugling (Vegelin van Claerbergen) bij mijn wijf en kinder blijft'. Deze woorden behoren tot één van de laatste die de stadhouder ons heeft nagelaten.

Het meest bloedige
Dit is de schat waar het meeste bloed aan kleeft



Alba amicarum van Lutske en Jacoba Scheltema, 1783

Elk archief of elke bibliotheek bezit er wel een exemplaar van: het album amicorum. Uit met name de 17de en 18de eeuw zijn er vele overgeleverd. Tijdens hun studie legden studenten een album aan, waarin op verzoek vrienden, medestudenten en hoogleraren een bijdrage leverden, meestal een Latijns gedicht en eventueel verluchtigd met een tekening. Vooral wanneer ze nog een academische rondreis maakten langs buitenlandse universiteiten, de z.g. Grand Tour, behielden ze zo een tastbare herinnering aan deze uiterst belangrijke periode in hun leven. Voor onderzoekers nu zijn zulke alba een dankbare bron om studiegedrag en netwerken in kaart te brengen. In de 19de eeuw verdween dit gebruik bij studenten, maar werd het overgenomen door jonge vrouwen, maar dan zonder de studentikoze achtergrond en in de landstaal, en meestal beperkt tot de kring van de eigen familie en de directe vrienden (het poëziealbum). Wat bleef was het aanleggen van een album rond de 20ste levensjaar, waarbij de lust tot het verzamelen van inschrijvingen al na enkele jaren bekoelde.
Sinds kort bezit Tresoar twee alba amicarum – let op: amicarum, en niet amicorum. Want het zijn alba aangelegd door twee dames en gevuld met inschrijvingen voor het merendeel door vrouwen. De beide alba hebben alle kenmerken van het traditionele album amicorum; de inschrijvingen zijn echter niet in het Latijn of in een andere geleerdentaal, maar in het Nederlands geschreven. De eigenaars waren de zussen Lutske (1764-1793) en Jacoba Maria (1765-1788), dochters van de Franeker vroedsman Evert Paulus Scheltema (1730-1770). Beide alba zijn in een prachtige (verschillende!) band gebonden, elk met het jaartal 1783, in een atelier dat te Franeker gevestigd was. De binder was zich bewust van het unieke karakter van deze opdracht, want hij gebruikte bewust een derde hoofdletter: “Album AmicArum”. Elk album heeft 25 inscripties, voor het merendeel door dezelfde personen, die echter niet zichzelf herhaalden. De dubbele aanwinst is nog zo jong dat we nog geen volledige beschrijving gereed hebben; die volgt binnenkort. Zulke vroege alba amicArum, en dan ook nog twee direct aan elkaar gerelateerd, ver voor het “poesiealbum”-tijdperk, is uniek.




Vrijheidprivilege

Volgens overlevering zou Karel de Grote een uit zeven artikelen bestaand privilege hebben geschonken aan de Friezen in verband met hun grote verdiensten bij de verovering van Rome.
In dit privilege werd vastgelegd dat de Friezen vrij zouden zijn. Buiten de keizer hoefden zij in het vervolg geen landsheer boven zich te dulden. Deze sage ontstond waarschijnlijk in de elfde eeuw.
Toch lukte het de Friezen op een gegeven moment om de Rooms-koning Sigismund het privilege opnieuw te laten bevestigen. Op 30 september 1417 verstrekte Sigismund een oorkonde aan de Friezen waarin hij de vrijheden en privileges bevestigt waarvan bekend is, dat die hen waren toegekend door zijn voorgangers. In de akte worden ook een aantal gunsten verleend aan de Friezen. Zij werden vrijgesteld van de krijgstochten voor de keizer buiten de Friese grenzen. Zijn hoefden geen schatting aan het Rijk te betalen. Het Friese recht bleef gehandhaafd en het gezag bleef in handen van de grietmannen.